AReeds in de oertijd ervoer de mens de behoefte om, na de ontdekking van het vuur, over een ander medium te beschikken, wat licht in de duisternis kon brengen en dat ook gemakkelijker verplaatsbaar was dan een vuurtje. In eerste instantie behielp men zich met talg, een dierlijk vet, met daarin een pluk plantenvezels welke als pit dienden. Later maakte men ook gebruik van in de natuur aangetroffen was, namelijk, bijenwas met daarin als pit vlasvezels, nog later werden voor dit doel ook katoenvezels gebruikt.

Talgkaarsen verspreidden bij het branden een onaangename geur en walmden daarbij terdege. Hiermee heeft de mensheid echter tot het begin van de 19de eeuw moeten leven. In het jaar 1811 ontdekte de Fransman Chevreul dat talg in wezen uit een chemische verbinding tussen glycerine en vetzuren bestond en hij slaagde er als eerste in de vloeibare vetzuren (oleïne) van de vaste vetzuren (stearine) te scheiden. Dit laatste product was en is een uitstekende grondstof voor kaarsen.

B

De Fransman Chevreul
August 31, 1786 –
April 9, 1889

Hiermee was een belangrijke aanzet gegeven tot de ontwikkeling van de kaars zoals we die heden ten dage kennen. Kort daarop, in 1820, maakte een andere Fransman, Cambacérès, door het vlechten van drie even dikke bundeltjes katoenvezels de eerste bruikbare kaarsenpit van de soort zoals die vandaag nog gebruikt wordt.

Ongeveer tegelijkertijd werd in Engeland, als vast bestanddeel van houtteer, de paraffine ontdekt, maar het duurde tot 1850 voordat de Engelsman Young op het idee kwam paraffine als grondstof voor kaarsen te promoten. De grote voorbereiding van de toepassing van paraffine als grondstof voor kaarsen hield gelijke tred met de toenemende exploitatie van de aardoliebronnen en de verdere ontwikkeling van raffinagetechnieken.

Lange tijd nog werd stearine beschouwd als de ideale grondstof voor de ‘betere’ kaars, doch met het voortschrijden van de aardolie raffinage technieken werd het mogelijk om uit de ruwe wassen die als basis dienen voor paraffine meer olie te halen (minder walm) en de stof te deodoriseren (waardoor de geur neutraler werd) zodat de alsdan ontstane paraffine steeds beter van kwaliteit werd.

CVandaag de dag doet derhalve een goede kwaliteit paraffine beslist niet meer onder voor de tot voor een aantal jaren nog als onovertrefbaar gehouden stearine en heeft de paraffine (mits van uitstekende kwaliteit) zelfs een aantal voordelen ten opzichte van stearine, zoals b.v. een eind product dat minder bros (en dus ook minder gevoelig voor breuk) is dan stearinekaarsen en tevens kan er aanzienlijk minder kleurstof gebruikt worden (in geval van gekleurde kaarsen) dan nodig is voor het maken van stearinekaarsen. Stearine is namelijk een product hetwelk een vrij hoge zuurgraad heeft, waardoor de werkzaamheid van de kleurstof deelwijze teniet gedaan wordt. Tengevolge daarvan moet meer kleurstof toegevoegd worden om een zelfde kleurintensiteit te bereiken, doch deze kleurstoffen verbranden niet en verkolen als het ware in de vlam, waardoor de pit verstopt raakt, de vlam steeds kleiner wordt en uiteindelijk zelfs kan uitdoven. Daarbij komt nog het feit dat speciale kaarsenkleurstoffen behoorlijk kostbaar zijn, dus dit heeft dan ook nog een prijsverhogende invloed.

Mondiaal gezien wordt het leeuwendeel van de hedendaagse kaarsen dan ook van paraffine gemaakt, waarbij helaas de ‘prijsvechterssfeer’ vaak toch nog veel kwalitatief minderwaardige paraffine als grondstof gebruikt wordt in de producten welke bij de consument vaak tot teleurstellingen leiden.

DAfgezien van stearine- en paraffinekaarsen worden er uiteraard nog steeds bijenwaskaarsen gemaakt en verkocht, doch de enorm hoge prijzen van bijenwas noodzaken de producenten van bijenwaskaarsen er vaak toe aanzienlijke percentages paraffine bij te mengen, zodat er vraagtekens gezet kunnen worden bij wat nu nog een bijenwaskaars is en wat niet. In elk geval spelen vandaag de dag kaarsen gemaakt van 100% zuivere bijenwas vanwege de enorm hoge prijzen die gevraagd moeten worden een outsiderrol.

Een outsiderrol is tevens toebedeeld aan de sinds enkele jaren verkrijgbare gel-kaarsen, transparante substantie, welke vrijwel uitsluitend in potjes en glazen met daarin de gel voorzien van een pit, aangeboden wordt. Het is aan te nemen dat deze gel-kaarsen eerder als een modeverschijnsel beschouwd dienen te worden en niet tot echte klassiekers zullen uitgroeien zoals bv de paraffine-, stearine- en bijenwaskaarsen.Tengevolge van prijsdruk en massaproductie worden er steeds meer kwalitatief minderwaardige gel-kaarsen op de markt gesignaleerd. De daarvoor gebruikte gel wordt namelijk reeds na korte tijd vanzelf weer dun-vloeibaar (verwatert als het ware) en verspreidt bovendien bij het branden een penetrante geur. Beide verschijnselen worden vanzelfsprekend door de consument niet op prijs gesteld en vormen daarom ook de hoofdredenen waarom deze sector van de markt (nu het nieuwe eraf is) de laatste tijd eerder krimpt dan groeit.